Struisvogelpolitiek a.k.a. Flipper the remake.

De eerste opmerking die ik kreeg was: “Waarom heb je niet verteld dat je daar heen ging? Mijn Tarzan is al weken kapot.”
De tweede opmerking die ik kreeg was: “Ik weet waarom jij te laat bent. Je hebt natuurlijk de hele nacht met je vibrator liggen spelen. Whahahahahaha!” opgevolgd door: “Ach, ik heb zelf een vibrator. Een hele grote paarse.”
De derde opmerking die ik kreeg was: “Ik ga ook een vibrator kopen. Elke vrouw van boven de dertig zou er één moeten hebben!”
De vierde opmerking die ik kreeg was: “En, hoe vind je ‘m nou?” waarop ik antwoordde: “Dolfijntjes zijn stom. Jongens zijn leuk.”
“Nou, ik spaar dus vibrators. Tegenwoordig neem ik ze gewoon mee als souvenirtje als ik ergens ben geweest. Is toch leuker dan een wandtegel.”
De kwaliteiten van een Tunesische vibrator versus die van een Peruviaanse hebben we verder niet uitgediept.
De vijfde opmerking die ik kreeg was: “Ik heb een veel leukere voor je gekocht! Pak aan: cadeautje.”
En plots was ik de trotse eigenares van twee vibrators.

Flipper en de Grote Roze.

De kloof tussen mij en Flipper was onderhand dusdanig verbreed dat ik realiseerde dat wij nooit meer nader tot elkaar zouden komen.
De Grote Roze wachtte ondertussen rustig zijn kans af. Eerst slingerde hij wat rond op mijn bureau. Soms bekeek ik ‘m en legde ik ‘m weer terug. Als ik hem aanzette klonk hij als een slagroomklopper. Of een staafmixer. Of een epileerapparaat. Weinig libido verhogend.
De Grote Roze mocht één nachtje bij me logeren. Na 5 minuten gaf ik het geploeter op en smeet ik hem in de hoek van mijn bed. En zo sleten de Grote Roze en ik onze dagen.

Ik wil iedereen afraden om ooit zo met een gedumpte vibrator rond te springen.
Ik vergat de Grote Roze. Maar de Grote Roze vergat mij niet.
Wij zijn allen bekend met het gevoel dat je het gas aan hebt laten staan op het moment dat je de deur achter je dichttrekt om op vakantie te gaan.
Dit onbehaaglijke gevoel teisterde mij op het moment dat ik een nieuw lief voor het eerst mijn huis binnen liet. Ik had vooral niet opgeruimd, maar het gevoel bleef knagen dat er nog iets anders loos was.
Pas de volgende middag toen ik mijn slaapkamer in liep werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt. Op het Grote Roze feit dat parmantig op mijn bed pronkte. Het nieuwe lief zat rustig in de woonkamer koffie te drinken. Ik gooide een kussen over de Grote Roze en bad dat het lief niet gemerkt had dat hij daar de hele nacht op gelegen had.
De volgende nacht kwamen wij opnieuw thuis en realiseerde ik mij dat ik de Grote Roze nog steeds niet had verplaatst.
In een dronken roes rende ik naar de slaapkamer en griste het groteske apparaat onder mijn kussen vandaan. Spontaan schoot het ding aan. Toeters en bellen, geknetter en gezoem! In paniek rukte ik de batterijen eruit en propte het onderin een tas. Gezicht gladstrijken en weer de kamer uit.
Het grootste kwaad was afgewend. Hoopte ik.

En dan lees je iemand zijn weblog.
Ik citeer: ‘[…] en er moet nog een Tarzan in, maar die valt vanzelf wel op de juiste plek.’
Kut.
Ik doe gewoon of ik me niet aangesproken voel.
Gisteravond moest ik een gedicht van hem lezen met daarin de regel: ‘Shampoo op je Tarzan die naast me lag in bed.’
Ik ben niet bijzonder diep op de inhoud van dat gedicht ingegaan. Ik heb ook niet uitgelegd waarom ik elke tien minuten spontaan begon te grinniken.
Hierbij geef ik onze koude oorlog een spontaan duwtje in de rug.

Bridget Jones has left the building.